Jindabyne
Toen ik in Sydney aankwam in juli vroeg ik me eigenlijk af
wat ik daar deed. De keus om naar Australië te gaan was een gevolg van de
gedachte dat ik eerst alles gedaan moest hebben voordat ik me ergens zou willen
vestigen voor een langere tijd. Een soort voorfase van het huisje boompje
beestje verhaal. Ik verlangde in die tijd erg naar vrijheid en had genoeg van
het dagelijkse werk wat ik deed. Maar eigenlijk was het ook een vlucht. Een
vlucht voor de dingen die ik in Nederland had en waar ik eigenlijk niet blij
mee meer was. Maar ik rende nog meer voor mezelf weg, ik was helemaal niet meer
tevreden met de dingen die ik deed in het dagelijkse bestaan. Altijd heb ik me
afgezet tegen de zaken die geacht werden normaal te zijn voor een jongen van mijn
leeftijd.
De eerste dagen in Sydney waren best spannend omdat alles
nog open stond. Ik had helemaal geen vast plan gemaakt en deed dat die eerste
dagen ook niet. De groep waarmee ik was had veelal wel plannen, maar weinig
geld en velen besloten eerst een paar maanden te gaan werken. Ik had gelukkig
meer geld en zag het helemaal niet zitten om te werken in een grote stad zoals
Sydney. In Sydney was het op dat moment hartje winter en ik wist dat er bergen
tussen daar en Melbourne waren en het trok me enorm om dus in de Australische
bergen te gaan skiën. Dat werd me echter afgeraden omdat het seizoen al
begonnen was, de prijzen erg hoog waren en de kans op accommodatie en werk
minimaal was. Maar na drie dagen werd behoorlijk depressief en besloot ik toch te
gaan.
‘s Nachts vertrok de bus naar een plaatsje Jindabyne wat
ongeveer veertig kilometer van de skiliften af lag, maar omdat er bij de liften
zelf geen huizen waren was dat een redelijke keus omdat in andere gebieden die
wel bij liften lagen, nog duurder en kleiner waren. Jindabyne telde 1800
personen.
Het was een reis van zeven uur en het lukte me niet om
contact in de bus te maken omdat het nacht was en iedereen wilde slapen en
hoewel mijn Engels niet slecht was, voelde ik toch nog schroom om zomaar een
praatje te beginnen.
Vroeg in de morgen kwam ik aan en de kou sloeg tegen mijn
gezicht bij het uitstappen. Ik had Australië altijd als een erg warm land
gezien en had natuurlijk geen winterjas meegenomen. Mijn zomerjas had ik in een
pizzeria laten liggen en net voordat ik uit Sydney vertrok heb ik een halve
winterjas tweedehands in de China Town gekocht voor weinig. Op het moment dat
ik de bus uitstapte had ik daar spijt van en ik rilde van de kou. Omdat heel
het dorp volledig volgeboekt was had ik geen andere keus dan om een goed hotel
voor een paar nachten te reserveren en dan maar te zien. Ik wist ook niet hoe
ik uiteindelijk bij het hotel moest komen en er was niemand zo vroeg in de
ochtend om het aan te vragen, maar na wat tips van mensen om me heen heb ik het
toch vrij gemakkelijk gevonden.
Het Hotel heette ‘Sonnblick’ en de blanke Zuidafrikaanse
eigenaars hadden het van Oostenrijkers gekocht. Ik werd gelukkig erg warm
ontvangen alleen kon ik mijn kamer nog niet in. Daarop besloot ik maar meteen
te gaan doen waarvoor ik gekomen was, namelijk snowboarden. Ik ben op
aanwijzing van de mensen in Sonnblick naar een verhuur winkel gelopen en heb
daar voor twee dagen een snowboard gehuurd. Skibussen reden daar niet dus was
ik aangewezen op liften. Ik had geen handschoenen en ook dat heb ik geweten.
De tweede auto die langs reed stopte en het was een jongen
van een jaar of dertig die me mee nam. Hij vond het wel ‘cool’ dat ik uit
Holland kwam en vroeg wat ik hier van plan was. Ik zei dat ik werk zocht en
hier wel langer zou willen blijven, maar dat ik wist dat het geen gemakkelijke
opgave zou worden. Hij zij dat hij morgen terug ging naar Sydney met een vriend
die net zijn baan opgegeven had bij de bakkerij. Ik spitste mijn oren en vroeg;
‘Which bakery?’
Hij zei daarop dat Jinda maar twee bakkerijen kende en dat
die hij bedoelde Sundance heette. Onderweg naar de sneeuw viel het me op dat de
bergen niet erg op bergen leken maar op bolle heuvels die toevallig hoog genoeg
lagen om sneeuw te hebben en eigenlijk is dat ook wel zo. Ik vond alles kaal en
kon het bepaald niet mooi vinden. De sneeuw op de pistes was echter
voortreffelijk en het gevoel dat me overspoelde bij mijn eerste afdaling was
overweldigend. Het geluid van de sneeuw onder mijn board, de koude wind in mijn
gezicht, het idee dat ik dit in Australië deed, maakte mijn hart open gaan. Ik
merkte op dat de bomen op de bergen niet op kerstbomen leken zoals bij ons maar
een geheel eigen uitstraling hadden. Snowgums worden ze genoemd en de bladeren
zijn als die van de Eucalyptus en de structuur van de Snowgums is veel
grilliger en zou prima passen in de fantasy boeken van Tolkien.
De tijd die dag ging erg snel en voor dat ik er erg in had
begon het al weer donker te worden en moest ik terug. Liften naar de sneeuw was
gemakkelijk, terug ging minder soepel, maar niettemin zijn Australiërs een
begrijpend volk en uiteindelijk was ik aan het begin van de avond terug bij het
hotel. Mijn spullen waren al op de kamer neergezet. In die kamer zouden ook nog
drie andere mensen slapen, maar daar was ik al een beetje aan gewend, want zo
was het ook in Sydney geweest. Sonnblick was meer een groot huis dan een hotel
en de grootste ruimte die het rijk was, had een huiskamer indeling. Tv in de
hoek, wat banken en een openhaard waar een man zijn handen zat te warmen. Ik
zei ‘hallo’ tegen hem en toen pas viel het op dat de openhaard niet brandde.
Hij lachte breed naar me en zei ‘How
are you doing?’ tegen me, iets waar ik nog aan moest wennen omdat
iedereen dat zij, of ze het nu werkelijk wilden weten of niet.
Ik antwoordde dat het goed met mij ging en keek met een
frons naar het vuur wat er niet was.
‘Ze zijn vergeten het vuur aan te doen, maar warme gedachten
maken al een hoop goed’. Ik moest lachen en stelde me voor. Het bleek dat hij
bij mij op de kamer verbleef en dat hij helemaal uit Queensland hierheen was
gekomen om vier dagen te skiën.
De volgende dag ben ik ‘s avonds naar de bakkerij gegaan en
heb mezelf aangeboden. Ik mocht een paar dagen proef draaien, maar bij de
eerste dag zij hij dat ik de job kon krijgen als ik dat wilde. We hadden niet
over salaris gesproken, maar aan het eind van de week kwam ik erachter dat het
enorm goed was. Daarbij moet ik ook wel zeggen dat het niet gemakkelijk was. Er
waren volop toeristen en het was enorm druk van ‘s ochtends vroeg tot ‘s avonds laat. Ik was de
‘dish-dog’ wat inhield dat ik alle afwas deed. De bakkerij was meer dan een
bakkerij alleen; ze hadden tafeltjes, heerlijke koffie (wat schaars is in
Australië), en zelfs complete maaltijden. Leuk was dat je in feite geen
buitenlanders tegen kwam, dus alleen de Australiërs zelf. Ook reizigers zoals
ik waren er nauwelijks, wat de ervaring alleen maar dieper maakte.
De dagen werden weken en de weken maanden. Ik begon een
bekende te worden in het dorp en had een grotere sociale omgeving dan thuis. De
eerste week sliep ik in het hotel, de week daarna met vier Australische jongens
in een appartement naast het hotel. Daarna vond ik een kamer bij een vrouw
thuis en ook daar kan ik verhalen over schrijven maar dat is mijn bedoeling nu
niet. Jindabyne begon echt als ‘thuis’ te voelen maar de dagen werden warmer en
de sneeuw papperiger. Ik had een snowboard gekocht en ook een skipas en een
auto.
Op de auto was ik trots; het was een Ford Cortina Station
wagen met zes cylinders en 3.3 liter motor en hij was geel. Ik had hem gekocht
op de sloop, maar heeft me feitelijk nooit in de steek gelaten. De auto heeft
me de vrijheid gegeven overal heen te gaan zonder met iemand rekening te hoeven
houden. In de laatste weken van september begon het echt aangenaam warm te
worden en stopte ik zo’n beetje met snowboarden en ging ik de bergen in om te
wandelen. Aan de bergen die ik in het begin zo lelijk had gevonden, begon ik
aardig gehecht te worden en ook hun schoonheid begon ik eindelijk te waarderen.
Als ik er nu aan terug denk is het zo’n beetje het mooiste stukje natuur wat ik
ken op Aarde. Eerlijkheidshalve moet ik vermelden dat het ook was dat het
voorjaar begon te worden en alles dus ook meer kleur kreeg.
De eerste keer dat ik ging wandelen in het ‘National Park’
was een belangrijke ervaring en juist de gedachte aan die eerste keer heeft me
ertoe gezet dit op te schrijven. Het was in de nawinter en op veel plaatsen was
de sneeuw verdwenen.
Die dag reed ik het National Park in en parkeerde bij een
bord langs de weg die wandelroutes aangaf. Hoewel de temperaturen beter waren
geworden de laatste dagen zat er nog steeds een koude in de lucht, waardoor ik
gedwongen werd mijn jas aan te houden. Daarnaast had ik een halve liter water
mee genomen en een fototoestel. Direct toen ik uitstapte zag ik wat kangoeroes
op een veldje gras eten. Omdat ik nog nauwelijks kangoeroes had gezien in het
wild, probeerde ik dichterbij te komen. Ze keken wel op, maar sprongen niet weg
en blij als een kind heb ik wat foto’s genomen. De wandelroute ging van de plek
waar ik mijn auto had neergezet naar de ‘Diner Falls’ en op het bord waar de
route beschreven werd kon ik een waarschuwing lezen die aangaf dat het gebied
een uitstekende broedplaats was voor de bruine slang. De bruine slang is de op
twee na giftigste slang op Aarde en de eerste kilometer deed ik elke stap
voorzichtig en was ik nogal zenuwachtig. Aan de andere kant voelde ik me
opgelaten want ik was aan het wandelen in de natuur en deed iets nieuws wat ik
nog niet eerder in Australië gedaan had. Eén van de dingen die ik wilde doen
bij mijn wereldreis was het bewonderen van allemaal verschillende natuur
stijlen.
Het tweede wat me opviel was het bos zelf. Overal lagen er
boomstammen en waren de bosjes soms erg dicht zodat je moeilijk verder kon
komen. De route had geen wandelpad zoals we dat in Nederland hebben maar een
‘trail’ of letterlijk vertaald een spoor. Ik was de enige in kilometers
omgeving en dat gaf opzich al een apart gevoel omdat ook dat in Nederland niet mogelijk is. Daarbij kwam nog dat de bomen
een totaal andere vorm hadden dan de bomen in de bossen die wij kennen.
Na een tijdje kreeg ik wat meer vaart en voelde ik me wat
zekerder worden en op de achtergrond hoorde ik een beekje kabbelen. Meteen
daarna werd het pad steeds moeilijker begaanbaar en moest ik af en toe ergens
aan vast pakken om te voorkomen dat ik zou vallen.
Het vreemde was dat ik het eng vond om bomen vast te pakken. Mijn handen werden er natuurlijk
vies van want er zat een soort groen mos op alle stammen die gemakkelijk
afgaven, maar dat was de voornaamste reden niet. Ik merkte dat de afstand
tussen mij en de natuur door de jaren heen groot geworden was. Ik was niet
opgegroeid in de natuur en bracht er ook bar weinig tijd in door. Als we op
vakantie waren in Frankrijk zou ik het niet in mijn hoofd halen om zonder
handdoek in het gras te gaan zitten. Bang voor mieren & spinnen en andere
dingen die kriebelden. En op het moment dat ik gedwongen werd de natuur ‘aan te
raken’ besefte ik pas hoe weinig ik me ooit in de natuur verdiept had. Ik
merkte ook dat het rustige bos helemaal niet zo rustig was, want op elke stam
leefde wat. Kleine insekten, grote insekten, vliegen, rupsen. Het bos wat aan
de ene kant verlaten leek, zat vol met leven. Na een tijdje kon ik ook anderen
geluiden horen; kraaien, kangoeroes en geluiden die ik niet thuis kon brengen.
Het irriteerde me dat ik een beetje afkeer had om de natuur
aan te raken en maakte met mezelf de afspraak dat te veranderen, wat me na
enkele weken ook lukte. Later dat jaar kon ik in een bos inslaap vallen tegen
een boom, liet ik spinnen en andere insekten over mijn hand lopen en voelde ik
me echt vrij in de buitenlucht. Maar die eerste keer in het bos niet....
Althans niet helemaal.
Na een anderhalf uur kwam ik bij het doel van mijn tocht, de
Diner Falls. Als een Celestijnse belofte kwam daar het water over de rotsen
naar beneden gevallen. Het waren geen tientallen meters, maar het geluid van
het water had iets vredigs, rustig. Ik ging op een rots zitten (na gekeken te
hebben of er geen enge insekten overheen liepen) en heb daar een half uur in
gedachten gezeten. Een stilte die geen enkele keer onderbroken werd. Ik heb wat
foto’s genomen en begon daarna aan de terugweg die aan de andere kant van het
water begon. Ik moest van rots naar rots springen en één keer gleed ik bijna
uit.
Aan de overkant kreeg ik de schrik van mijn leven. Op
ooghoogte zat een hagedis op een boom die ruim meer dan een meter groot was. Hij
zag mij ook een maakte zich rustig uit de voeten hoger de boom in. Natuurlijk
heb ik daar ook een foto van gemaakt en realiseerde ik me weer dar ik in
Australië was, een land waar alles groot is. Opgewekt en blij met de foto ging
ik verder, maar raakte na een tijdje letterlijk het spoor bijster. Het ene
moment liep ik nog op het pad wat nauwelijks pad te noemen was, het andere
moment liep ik gewoon door het bos, zonder iets te zien. Ik voelde heel even
wat Hans van Grietje gevoeld moest hebben toen ik realiseerde wat er aan de
hand was. En geloof me, in een onbekend bos is het helemaal niet moeilijk te
verdwalen. Natuurlijk had ik me om kunnen keren en de weg terug kunnen zoeken,
maar ik was zo ver in mijn persoonlijke avontuur dat ik besloot op mijn gevoel
verder te gaan. Na wat mij leek als een kilometer kwam ik op een plaats waar
reuzen geknikkerd hebben. Overal lagen rotsen verspreid die ver boven me uit
torende. Sommige kwamen zelfs boven de bomen uit. Ik keek naar een geschikte
manier om op de grootste van deze rotsen te klimmen en vond die ook. Pas later
realiseerde ik me dat het bos net zo groot was als Nederland en dat als ik
gevallen was.....
Bovenop ervaarde ik een rust die ik zelden weer gevonden
heb. Een zachte wind streek langs mijn wang en had de geur van de Lente in
zich. Maar dat was nog niets vergeleken met het uitzicht. Ik was immers in de
bergen en nu ik boven de bomen uitkwam kon ik verder kijken dan ik beneden
geloofd zou hebben. Tientallen kilometers rondom kon ik zien. Ook zag ik Lake
Jindabyne beneden en het dorpje waar ik zo van ben gaan houden.
Het gevoel wat ik daar had, is moeilijk te beschrijven, maar
ik weet wel dat ik me intens gelukkig voelde. Ik voelde een energie en een
enthousiasme die eigenlijk te weinig voorkwam in mijn leven. Ik beloofde
mijzelf dit gevoel op papier te zetten, maar tot op de dag van vandaag heb ik dat
niet gedaan, maar vergeten ben ik het zeer zeker niet. Ik hoef nu alleen m’n
ogen te sluiten en ik zie alles weer. Op dat moment wist ik ook waarom ik
leefde en wat het doel in een leven kon zijn. Alles paste zo mooi in elkaar en
voelde zo goed. Ik zat op de rots en in mijn geesteoog kon ik mezelf zien
zitten, hoog op de rots midden in de natuur als een echte avonturier.
Maar aan alles komt een eind en na een paar uur zat ik weer
in mijn auto en reed ik tegen zonsondergang terug naar het dorp waar ik van was
gaan houden. Enkele dagen later was de kracht van die ervaring bezonken zoals
dat eigenlijk altijd gaat, in mijn gedachten bleef slechts de herinnering
achter.
Enkele weken later ben ik daar weggegaan. In de bakkerij was
het stil geworden en ik verlangde ernaar mijn horizon te verlengen en heb dat
ook gedaan.
Nu ben ik daar twintigduizend kilometer vandaan, maar dagelijks
kom ik even terug. Ik sluit mijn ogen en zie weer de dingen die ik daar zag,
proef een beetje van de ervaringen die mijn leven zoveel rijker hebben gemaakt,
en ja, ik voel ook heimwee en hoop daar nog eens terug te keren, hoewel elke
keer anders zal zijn. Dingen in het verleden die gebeurd zijn kun je niet terug
halen, en ik voel ergens achter in mijn gedachten dat ik misschien een
teleurstelling zal voelen wanneer ik dat doe, de tijd zal het vertellen......
Henri Koppen
Februari 1997